Soorten: De familie der spitsmuizen kent in Nederland een vijftal vertegenwoordigers, nl.:
de waterspitsmuis (Neomys fodiens Pennant) donker leikleurig, soms vrijwel zwart; onderzijde variabel, gewoonlijk wit, grijs of zo donker, dat het dier een kleurig is; staart eenkleurig;
de bosspitsmuis (Sorex araneus l.) pels gewoonlijk driekleurig, boven donker tot zwartbruin, zijden gewoonlijk lichter bruin, onderzijde grijswit; staart tweekleurig;
de dwergspitsmuis (Sorex minutus L.); pels nimmer driekleurig, lichter dan de bosspitsmuis; staart tamelijk dicht behaard, onduidelijk tweekleurig;
de veldspitsmuis (Crocidura leucodon Hermann); donker grijsbruin, onderzijde scherp afgezet van de bovenzijde, bruingeelachtig wit; staart tweekleurig.
De meeste voorkomende soort is: De huisspitsmuis (Crocidura russula Hermann); bovenzijde bruingrijs, lichter en rosser dan bij de veldspitsmuis, onderzijde geelachtiggrijs, niet scherp afgezet tegen de bovenzijde, staart onduidelijk tweekleurig. Wanneer spitsmuizen in gebouwen worden aangetroffen gaat het vrijwel altijd om deze soort.
Bouw en Gewoonten: Spitsmuizen tonen uiterlijk grote overeenkomsten met muizen, maar onderscheiden zich duidelijk door de vorm van de kop. De schedel is smal en spits (bijna Kegelvormig) toelopend zonder jukbeenderen. De snuit steekt ver voor de sikkelvormige snijtanden uit en is spits toelopend en slurfvormig. De grote varieert, mede afhankelijk van de soort, van 5 tot 9 cm . De kort behaarde staart is ongeveer de tot tweederde van de lichaamslengte. De vacht is sterk glanzend en de aan de zijkant gelegen muskusklieren zijn vooral bij de mannetjes zichtbaar. De poten zijn kort; het zijn echter gewone looppoten. De uitwendige oren zijn zichtbaar, maar klein en meestal in de vacht verborgen. Zij kunnen door een klepje worden afgesloten.
Spitsmuis: Het gehoor is zeer goed ontwikkeld. Vooral zachte ritselende geluiden worden heel goed waargenomen; op lawaai reageren zij niet. Tastzin en reuk zijn eveneens goed ontwikkeld. De ogen zijn klein en van weinig betekenis. Spitsmuizen vinden hun weg en foerageren bijna uitsluitend met behulp van reuk- en tastorganen (borstels op de snuit). De uiteinden van tanden en kiezen van Sorex- en Neomyssoorten zijn granaatrood, die van Crocidurasoorten zijn geheel wit. De kiezen zijn puntig voor het doorbijten van insectenpantsers.
Spitsmuizen zijn vlugge en beweeglijke diertjes, die zich springend en lopend kunnen verplaatsen (muizen bewegen zich vaak huppelend). Zij zwemmen goed en vooral de waterspitsmuizen zwemt zeer veel en duikt en loopt onder water.
De Veld - en huisspitsmuis zijn wat minder beweeglijk. Spitsmuizen zijn nachtdieren, maar zijn soms ook wel overdag actief, zelden in de ochtenduren. Ze brengen een heel zacht piepend, fluitend of tjilpend geluid voort.
Biotoop en verspreiding: Onder biotoop wordt verstaan de omgeving waarin de omstandigheden waaronder een bepaalde soort gewoonlijk voortkomt. Het biotoop van de meeste spitsmuissoorten komt vrijwel overeen. In het algemeen zijn de dieren te vinden in ruig, gedekt terrein: kreupelhout, struikgewas, bosranden (niet in het eigenlijke bos), Droge weilanden, ook wel in tuinen; de bosspitsmuis ook in moerasland, bos en duin. De waterspitsmuis is sterk aan water gebonden en kiest dan ook min of meer rustig water. Spitsmuizen hebben onderaardse holen, die zij zelf vaak onder de boomwortels graven, ook maken zij gebruik van muizenholen of mollengangen.
De dwerg-, bos - en waterspitsmuis zijn in heel Nederland te vinden. De veldspitsmuis wordt uitsluitend in het zuiden van Nederland aangetroffen en de huisspitsmuis in het grootste deel van ons land, maar slechts in weinig gevallen in Noord en Zuid-Holland.
Voortplanting: Spitsmuizen leven op zichzelf. Mannetje en wijfje maken ieder een eigen nest. In de paartijd kunnen zij elkaar makkelijk vinden door de muskus geur die zij afgeven. De geurklieren liggen bij de staartwortel, bovendien heeft het mannetje aan de zijkant van het lichaam nog meer, tevens zichtbare, klieren. De paartijd schijnt niet aan een bepaald jaargetijde te zijn gebonden; de huisspitsmuis krijgt wel jongen in de winter. Een winterslaap wordt, voor zover bekend, niet gehouden. 2 tot 4 keer per jaar worden ongeveer 4 tot 6 jongen geworpen, die binnen het jaar geslachtsrijp zijn. Als het nest wordt verstoord, versleept de moeder de diertjes in de bek. Een veld- of een huisspitsmuis vertrekt in zo'n geval in ganzenmars met de jongen achter zich aan. Deze bijten zich vast in rugvel of staart van de moeder en de resp. Voorganger en vormen zo een ketting, die ook bij het nemen van hindernissen intact blijft.
Sporen: Omdat de spitsmuizen zulke lichte kleine diertjes zijn, zijn hun pootafdrukken in de regel onduidelijk. De afdrukken met vijf tenen onderscheiden zich van die der muizen, die namelijk vier teenafdrukken van de voorpoot vertonen, de vijfde teen is rudimentair, zit hoger aan de poot en maakt dus geen afdruk. De afdruk van de voorpoot van de spitsmuis is ongeveer 0,8 cm , van de achterpoot 1,5 cm (ongeveer even groot als van de huismuis).
De uitwerpselen van spitsmuizen bestaan overwegend uit resten van insecten; zij zijn aan een uiteinde puntig en zijn donkerbruin of zwart van kleur door de glinsterende resten van insectenpantsers. De grootte varieert van 2 tot 4 mm de dikte van 1- 2 mm . Vaak worden dode spitsmuizen gevonden waarbij het wordt geconstateerd dat niet aan de dieren gegeten is. De jager, hetzij kat, hond, marter, vos of roofvogel, heeft het dier dan voor een gewone muis aangezien na constatering van zijn vergissing het dier verder onaangeroerd laten liggen. Veel dieren hebben een hekel aan het naar muskus ruikend afscheidingsproduct uit de klieren van de spitsmuis. Uilen eten spitsmuizen echter graag. Resten van schedels, etc. in braakballen tonen aan dat bv. de ransuil deze diertjes een en de kerkuil heeft zich zelfs op hun vangst gespecialiseerd. Een onderzoek heeft in 742 haarballen van de kerkuil 1646 schedels van spitsmuizen gevonden.
Voedsel: Spitsmuizen zijn felle roofdieren, die zich met dierlijk voedsel voeden. De prooi wordt met de bek gegrepen. Bewegende prooidieren drukken zij met de voorpoten tegen de grond. Zij voeden zich met insecten en hun larven (emelten, meelwormen, etc.), wormen, kleine gewervelde dieren zoals muizen, kleine slakjes, soms spinnen. De bosspitsmuis en de huisspitsmuis eten ook wel zaadkorrels. De waterspitsmuis eet naast genoemd voedsel ook waterdieren zoals kleine visjes, schaaldieren en kikkers. In gevangenschap kunnen ze gemakkelijk met vlees in leven worden gehouden. De dieren zijn zeer vraatzuchtig en blijken zeer gesteld te zijn op variatie in hun voedselpakket. Zij eten dagelijks ongeveer de helft van hun gewicht aan voedsel en kunnen niet lang honger verdragen; krijgen ze niet voortdurend voedsel, dan zijn ze binnen enkele dagen dood.