Biologie Mollen (Talpa Europea).

Mollen, ze bederven je gazon, je stemming, zorgen voor verzakkingen in je stoep, terras of oprit.
De mol is een nuttig dier. Hij houdt de wormenpopulatie in evenwicht, eet muggenlarven, kevers en rupsen.
De mol heeft echter een onuitstaanbare eigenschap als hij het hogerop zoekt laat hij een hoop zand achter "de molshoop". De mol is de schrik in een mooi aangelegd gazon of border de mol ontsiert de entree van kantoren en overige gebouwen.
De hoop zand maakt de messen van de grasmachine bot en moeten zodoende vaker geslepen worden. Bestrating verzakt en vergt daarom extra onderhoud. En klein onzichtbaar beestje met grote duidelijke gevolgen.

Uiterlijk:
De mol heeft een zachte pels die bestaat uit een dichte zwarte vacht, die op z'n buik grijs is. Van vocht of kou heeft de mol geen last, daar zorgt z'n (water- en zand)dichte vacht wel voor. Twee minuscuul kleine ogen, zo groot als een flinke speldenknop, heeft de mol wel, maar geen oren. 'Horen' doet-ie met z'n tast-en snorharen, die ingeplant staan boven de spitse snuit. Alleen de vier poten zijn aan de onderkant onbehaard. Het meest opmerkelijke zijn de voorpoten die krachtige graafwerktuigen vormen; de naar buiten gedraaide hand is verbreed met een extra vinger. De nek is schijnbaar verdwenen maar de kop kan wel degelijk onafhankelijk bewegen. Achter de schouders is het lichaam vrijwel cilindrisch, de lichaamslengte varieert tussen 125 en 165 mm inclusief zijn 2,5 cm .lange staart. Mannetjes wegen ongeveer 120 gram en vrouwtjes 90 gram .

Zintuigen:
Mollen hebben een goed ontwikkelde tastzin en een orgaan om veranderingen in temperatuur en vocht waar te nemen, de reuk en gehoor zijn matig en het zicht is slecht.

Voortplanting:
De mannetjes verlaten vroeg in het voorjaar hun territorium op zoek naar een vrouwtje, daarbij schuwen ze geen water want mollen kunnen zwemmen. De paring vindt plaats in maart-april. Meestal wordt het mannetje daarna weer verjaagd door het vrouwtje. Na een dracht van 4 -5 weken worden 2 -7 jongen blind en naakt geboren (meestal 4-5). De jongen wegen 3,5 gram en hebben een lengte van 35 mm . In 3 weken zijn ze tot bijna volwassen lengte gegroeid en is de vacht ontwikkeld. De jongen worden 4 -5 weken gezoogd en blijven daarna nog 2 -3 weken bij elkaar in het gangenstelsel van de moeder. Eind juni worden de jongen gedwongen op zoek te gaan naar een eigen territorium, er vallen echter veel slachtoffers door toedoen van roofvogels, katten, reigers en het verkeer. Een mol wordt gemiddeld drie jaar oud.

Territoria en gangenstelsels:
In een gebied waar mollen zich ongestoord kunnen ontwikkelen, hebben de mollen elk een afzonderlijk deel van een groter gangenstelsel. Buiten de periode dat er jongen zijn leven ze hier alleen. Er is een stelsel van oppervlakkige gangen, ook wel jaaggangen of ritten genoemd en een stelsel van diepere gangen. Bij de oppervlakkige gangen wordt de grond meestal wat omhoog gedrukt, bij de diepere gangen wordt de grond naar boven gewerkt en ontstaan hopen. De doorsnede van een gang is 4 -5 cm . Het graven gebeurt met de voorpoten, waarbij de poten om beurten worden gebruikt.
De oppervlakte van een territorium is ca. 400 m² . De verblijfsgangen en holtes waar voedselvoorraden worden aangelegd, waar wordt geslapen en waar het nest wordt gemaakt beslaan een lengte van om en nabij honderdvijftig meter. Een mol kan zich met zo'n 7 km. per uur ondergronds voortbewegen, zowel vooruit als achteruit. Bovengronds is dit ca. 5 km. per uur. Per uur kan een mol een gang graven van 12 tot 15 meter lengte. Ondergronds heeft de mol maar één vijand en dat zijn z'n soortgenoten. Het eigen territorium wordt fel verdedigd tegen andere voedselzoekende mollen. Iedere dag worden de gangen ongeveer 3 keer geïnspecteerd op aanwezig voedsel en op indringers. Als er een territorium vrijkomt wordt het snel ingepikt door de buren. Het territorium zit voor een belangrijk deel in, onder en bij perceelscheidingen, zoals afrasteringen, heggen, slootkanten en bermen.

Natuurlijke vijanden:
De mol houdt niet van extreme droogte en van wateroverlast. Andere natuurlijke vijanden van de mol zijn roofvogels zoals de reiger, valk, uil en buizerd en roofdieren, zoals de vos, bunzing, katten en de wezel.

Voedsel:
Wormen vormen het hoofdvoedsel van de mol (90%), maar ook insectenlarven en-poppen, slakken en soms een jonge muis of kikker. Dagelijks wordt de helft van het gewicht aan voedsel verorberd, dit zijn ongeveer 100 wormen. Bij voldoende wormen is de waterbehoefte minder en worden ook voorraden aangelegd. Om te zorgen dat de wormen niet weg kruipen wordt van een worm de kop afgebeten.

Activiteit:
De mol is niet 24 uur per dag actief, meestal zijn er 3 activiteitsperioden van ongeveer 4 uur, dit is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel wat de mol tegenkomt. Tussen november en februari valt er 1 activiteitsperiode samen met het daglicht en is er een korte periode 's nachts. In de periode mei-augustus is de rustperiode overdag wat meer variabel en is er door de daglengte geen activiteit midden in de nacht. Als de grond droger wordt gaan de wormen dieper de grond in, dus zal de mol ook dieper moeten graven om aan voedsel te komen.

Bestrijden van mollen:
Het bestrijden van mollen kan chemisch gebeuren met een speciaal doseerapparaat waarbij men ronde pillen op basis van magnesium- of aluminiumfosfide in de diepere mollengangen kan leggen, door invloed van bodemvocht ontstaat het voor mollen dodelijke fosforwaterstofgas (PH3) dat door de gangen drijft. Dit gas heeft de reuk van knoflook en is dodelijk voor de mol maar ook voor andere levende wezens. Daarom wordt voor deze methode bepaalde eisen gesteld aan de deskundigheid van de gebruiker en moet je cursus gevolgd hebben.

Men kan ook een mol uit de gang scheppen als men de mol ziet wroeten, de meeste kans heb je om ongeveer 8, 12 en 18 uur, en als je tegen de wind in gaat wachten, je moet wel geduld hebben. Een goede aanwijzing is ook het gedrag van merels en lijsters, wanneer je ziet dat ze op 1 plaats bezig zijn en veel wormen pakken dan weet je dat de mol daar actief is want door het lopen van de mol vluchten de wormen naar de oppervlakte. De meest toegepaste methode is het vangen met een mollenklem.

Het plaatsen van een mollenklem:
Er zijn vele soorten klemmen.
Druk een dag van tevoren de gangen en de hopen goed in, de volgende dag kan je dan zien of de mol er nog is. In droge periodes zitten de mollen dieper omdat daar dan de wormen zitten, dus eventueel nat maken van de grond lokt de mollen weer naar de oppervlakte. Zet de klem op een rustige plaats, waar dus geen mensen en dieren lopen, door trillingen wordt de mol verjaagd.
Prik met een stokje in de bodem en zoek een gang tussen twee mollenhopen in of zoek een gang die naar water toe gaat. Een mol gaat meerdere keren per dag water drinken. Als het stokje ineens wegzakt weet je hoe de gang loopt.
Graaf deze gang voorzichtig in het vierkant open zodat de klem ruim in het gat past en controleer of de gang goed doorlopen is, de gang is dan glad. Haal de ingevallen grondresten weg en span de klem.
Zet de klem voorzichtig en stevig in de gang met de 4 poten in de bodem, zodat het lipje midden in de gang zit, de ruimte tussen het lipje en de onderkant van de gang mag niet groter zijn dan de mol.
Maak de gang weer donker door hem te bedekken met bijvoorbeeld een emmer. De mol komt aan, wipt het lipje omhoog, de klem klapt dicht en de mol is onmiddellijk dood.


Terug