De Egyptenaren beschouwden hem als een heilig dier, maar voor de mestkever is het leven volkomen shit:
hij loopt er de hele dag mee te slepen, hij eet het, hij wordt er zelfs in geboren.
En daar zijn bijvoorbeeld Australische koeien heel blij mee.
Hoe zou de aarde eruit zien als er geen mestkevers waren? Ongetwijfeld een stuk smeriger dan nu al het geval is. In Australië kan men erover mee praten. Niet dat in dat werelddeel mestkevers ontbreken. Die zijn er wel degelijk. Maar de soorten die er van oorsprong thuishoren, zijn nogal kieskeurig. Ze houden voornamelijk van kangoeroe keutels. Geen wonder, want veel anders hebben ze tot het begin in 1788 niet gekend. In dat jaar vestigden zich de eerste Britse kolonisten in Australië. Ze hadden vijf koeien, twee stieren, vierenveertig schapen en zeven paarden bij zich. Op een oppervlakte van 7,7, miljoen vierkante kilometer betekenden die paar dieren niks.
De mest die ze produceerden, zette bij wijze van spreken geen zoden aan de dijk. Maar na twee eeuwen is die toestand wel even veranderd. Er grazen in dit werelddeel nu alleen al zo'n dikke dertig miljoen runderen. En daarmee is er een enorm mestprobleem ontstaan. Niet vanwege de ammoniakuitstoot, maar doordat de boel gewoon blijft liggen. Geen van de 250 inheemse mestkeversoorten toonde veel trek in koeienflatsen.
Gevolg was dat de vlaaien uitdroogden tot harde korsten die maanden en soms jarenlang de bodem ontsierden. Dat was niet goed voor de weidegronden. Een volwassen rund produceert dagelijks gemiddeld twaalf vlaaien. In een jaar tijd zijn dat zoveel plakken, dat ze naast elkaar gelegd een oppervlakte van vierhonderd vierkante meter beslaan. En dat is nog maar de prestatie van een enkel rund. De situatie wordt nog verergerd doordat rondom een koeienflats gras gaat groeien dat de beesten niet lusten. Ze grazen er in een wijde boog omheen. Op die manier zou jaarlijks zo'n kleine 2,5 miljoen hectare weidegrond onbruikbaar worden, als inderdaad alle mest bleef liggen. Gelukkig gebeurt dat niet. Veel wordt door de regen weggespoeld, door het vee vertrapt en verspreid zodat het spul in de bodem wordt opgenomen, of door termieten opgeruimd. Maar de toestand was in de jaren zestig toch wel zo zorgelijk geworden, dat men het noodzakelijk vond een aantal Afrikaanse mestkeversoorten in te voeren, en die beesten doen het uitstekend.
Mestkevers zijn interessante insecten. Ze behoren tot de bijzonder uitgebreide familie van de Scarabaeidae die meer dan twintig duizend soorten telt. Maar die zijn niet allemaal liefhebbers van mest. Verre vandaar. Rozekevertjes, goudtorren en spectaculaire reuzen als goliath- en herculeskever, die ook tot de familie behoren, zijn planteneters. Maar de echte mestopruimers maken toch een behoorlijk deel van de Scarabaeidae uit. Alleen al in Afrika lopen er meer dan tweeduizend soorten van rond. In alle werelddelen, uitgezonderd Antarctica, worden echte mestkevers aangetroffen. De meest bekendste mestkever is de pillendraaier, Scarabaeus sacer. Het eerste deel van zijn naam komt van het Griekse skarabos en betekent simpel 'kever', het tweede deel is het Latijnse woord voor 'heilig'. Zijn heiligheid dankt de pillendraaier aan het feit dat de oude Egyptenaren hem zagen als de verpersoonlijking van de zonnegod Ra. Overal in Egypte treft men zijn afbeelding aan: op de muren van tempels en graven, tussen de windsels van mummies, tot zelfs in opschriften en teksten, waar zijn portret stond voor het hpr (worden, ontstaan).
De pillendraaier vormt vuistgrote mestballen die hij, achteruitlopend, met zijn stevige achterpoten naar een veilige plek rolt. Daar graaft hij een gat waarin hij zich samen met zijn buit onderspit. Waarna hij zich ongestoord aan een zwelgpartij van formaat overgeeft. In de paartijd echter dienen de pillen als voedsel vooraan voor de larven. Mannetje en vrouwtje werken dan eendrachtig samen aan de mestbal. Nadat deze begraven is, bouwt het vrouwtje er een holle broedkamer aan, zodat het geheel een peervorm krijgt. Wanneer een ei is gelegd, wordt de toegangstunnel naar de onderaardse kamer losjes dichtgestopt, zodat de jonge mestkever, nadat hij alle groeifasen via larve en pop heeft doorstaan, gemakkelijk de weg naar buiten kan vinden. Van de mestbal blijft slechts het harde korstje in de aarde achter.
In het voortrollen van de mestbal zagen de Egyptenaren een overeenkomst met de gang van de zon langs de hemel. De uitsteeksels op de kop van de kever symboliseerde de zonnestralen.
De pillendraaier werd geacht zijn mestbal 29 dagen voort te blijven rollen. De dertigste dag bracht hij zijn last naar de Nijl. Daar kwam dan een nieuwe kever glorieus uit de mest te voorschijn. Zeer aardse zaken zoals bevruchting, het leggen van eieren en de moeizame gang van larve tot volwassen dier kwamen aan het ontstaan van nieuwe mestkevers niet te pas. De heiligheid van de pillendraaier werd nog eens onderstreept doordat het dier, meende men, in het bezit is van dertig voetleden (vijf aan elk van de zes voeten) die de dagen van de maand voorstelden. De Egyptenaren waren echter nogal slordig als het ging om natuurwaarnemingen. Scarabaeus sacer heeft geen dertig voetleden. Aan de voorpoten bestaan de voeten uit een stuk. Je zou dus hooguit van 22 leden (4x5+2) kunnen spreken.
Niet alle mestkevers doen zoveel moeite als de pillendraaier. Sommige maken in het geheel geen keurig afgeronde bolletjes. Ze stoppen wat losjes bij elkaar geaarde mest onder de grond. Andere soorten besparen zich een hoop werk door hun broedkamers direct onder of aan de rand van een hoop stront te maken. Dat doen ook in ons land voorkomende, blauwzwarte mestkevers, die je vaak onbeholpen over de karrensporen van zandwegen ziet rondscharrelen. Alleen mest van planteneters wordt gebruikt. Begrijpelijk. Plantenvezels verteren slecht. Zelfs na de reis door het extra lange darmstelsel waarover alle herbivoren beschikken, blijft er nog voldoende voedsel in de restanten zitten om allerlei mesteters aan hun trekken te laten komen. Behalve gemakzuchtige zijn er ook zeer ijverige mestkevers, ijveriger nog dan de pillendraaier.
De in Europa voorkomende mestkever maakt een onderaards hol waarin hij samen met het vrouwtje een aantal eivormige mestballen bergt. Nadat het vrouwtje in elke bal een ei heeft gelegd, blijft zij beneden, terwijl het mannetje bovengronds de wacht houdt. Het vrouwtje heeft het druk met verwijderen van schimmels en het dichten van krimpscheurtjes. Zodra de jonge kevers uit hun mestbedden te voorschijn zijn gekomen, brengt het vrouwtje ze naar de oppervlakte. En daar gaat ieder zijns weegs.
De hoeveelheden mest die de kevers verwerken, zijn gigantisch. De Franse insectkundige Jean-Henri Fabre nam waar dat een mestkever in een nacht bijna 1 liter mest de grond in groef.Een hele prestatie. Het diertje had een inhoud van vier kubieke centimeter. In nog geen tien uur tijd zag het dus kans 250 keer zijn eigen lichaamsomvang onder te spitten. Hoe nuttig mestkevers voor de veeteelt zijn, is al gebleken. Maar ze doen nog ander goed werk. In Australië heerste tot voor kort een strontvliegen plaag. Enorme hordes van die beesten maakten het leven buitenshuis in bepaalde seizoenen tot een hel. Na de invoering van mestkevers werd de plaag tot draaglijke omvang teruggebracht en in sommige streken verdwenen de vliegen zelfs geheel.
De bioloog D.F. Waterhouse deed in de jaren zeventig proeven Onthophagus gazella, een in Australië ingevoerde Afrikaanse mestkeversoort. De dieren hadden slechts korte tijd nodig om een koeienvlaai de grond in te werken. Maar belangrijker was dat van het grote aantal vliegeneieren dat de mest bevatte, slechts enkele uitkwamen. De rest had de bewerking door de kevers niet overleefd. Opmerkelijk is dat voor de voortplanting bestemde mestballen totaal geen vliegenlarven of eieren bevatten. Die worden zorgvuldig door de kevers verwijderd. Het is een bekend feit dat ziektes door vliegen kunnen worden overgebracht. Vliegenbestrijding is voor de volksgezondheid dus van de belang. Maar ook de verwijdering van mest is in dit opzicht belangrijk. Allerlei ziekteverwekkende organismen gedijen goed op mest. Mest van zieke dieren vormt een haard van infectie. Zonder mestkevers zou de wereld niet alleen een smerigere, maar vooral ook een ongezondere plaats zijn om te wonen. Mest oefent, hoe kan het anders, een enorme aantrekkingskracht op mestkevers uit. In Afrika heeft men waargenomen dat een buffel zijn staart maar hoeft om op te tillen om de insecten te doen aanstormen. Waarschijnlijk worden de kevers gewaarschuwd doordat er op het moment voorafgaand aan de ontlasting een wolk gas ontsnapt. Olifantenmest heeft men zevenduizend van die dieren geteld. Maar daar is dan ook een massa werk te verzetten.
Toen men in Australië mestkevers ging invoeren, was men als de dood dat tevens allerlei veeziektes hun intrede zouden doen. Door allerlei ingenieuze ingrepen wist men een aantal absoluut schone dieren te kweken, die geschikt bleken om er verder mee te fokken. Met een ding had men echter geen rekening gehouden. Met de ziektekiemen waren ook de mijten verdwenen waarmee mestkevers gewoonlijk bezet zijn. En dat was, zo bleek, een verlies. Veel mijten beschouwen hun gastheer- of vrouw slechts als vervoermiddel. Zodra een kever bij een hoop mest aankomt, gaan de mijten, gaan de mijten ervandoor en storten zich op de vliegenmaden die zich in de stront ophouden. Voor een nog effectievere vliegenbestrijding zou het dus goed zijn ook de mijten in te voeren. Mijten doen, voor zover we weten, mestkevers geen kwaad.
Een heel andere zaak is het met Buffo marinus, een reuzenpad die in de jaren dertig in Australië werd ingevoerd om schadelijke kevers die de suikerrietoogst vernielden, op te ruimen. Een volstrekt maatregel, omdat de pad aller interessante, onschuldige en nuttige insecten verdelgt, terwijl de schade aan het suikerriet niet merkbaar vermindert. De reuzenpad heeft sinds 1963 zijn werkterrein een stukje verruimd. De pas ingevoerde mestkevers bleken een smakelijke hapje te zijn. Vandaar dat hele troepen padden in de avondschemering de wacht betrekken bij verse hopen stront. De Australiërs zinnen nu op tegenmaatregelen. Een mogelijkheid is mestkevers in te voeren die overdag actief zijn. Doordat reuzenpadden nachtdieren zijn, bestaat er weinig kans dat jager en prooi elkaar dan nog ooit zullen tegenkomen. Een andere mogelijkheid is de reuzenpad met gelijke munt te betalen en een reuzenmestkever te introduceren. Kever die behoren tot het geslacht Heliocopris zijn zwaar gepantserd en hebben ongeveer de omvang van een golfbal. Ze zijn zo sterk dat je ze niet in de hand kunt houden.
Padden hebben de gewoonte hun prooi levend in te slikken. En nu hoopt men dat Heliocopris zich met zijn krachtige poten weer een weg naar buiten zal weten te wroeten, dwars door de ingewanden en het vel van de pad heen. Iets dergelijks heeft men al eens waargenomen. Alleen betrof het toen een andere padden- en keversoort. Het zou mooi zijn als Heliocopris inderdaad aan de verwachtingen voldoet. Men zou dan wel geen twee vliegen in een klap slaan, maar toch zowel iets aan het mestprobleem als een de paddenplaag doen. En dan zou Scarabaeus sacer, de heilige pillendraaier, misschien niet meer de enige kever zijn waarvoor standbeelden werden opgericht.