Een orde van bijna 6000 soorten holometabole insecten, die vrijwel allen hun larvale stadium in het water doorbrengen. Ongeveer 400 soorten komen in Europa voor; uit Nederland zijn 177 en uit België 200 soorten bekend.
De adulten zijn veelal bruinachtig gekleurde, motachtige insecten met een tamelijk slecht ontwikkeld vliegvermogen. Enkele soorten vliegen overdag, maar de meeste zijn 's nachts actief en komen vaak af op verlichte ramen of lichtvallen, vaak vrij ver van het water.
Zij hebben normaal vier tamelijk zwakke vleugels die geheel zijn bedekt met fijne beharing.
De achtervleugels zijn gewoonlijk minder behaard en meer doorschijnend dan de voorvleugels.
Ze hebben relatief weinig dwarsaderen;de vleugels worden als een dakje over het lichaam gevouwen. De slanke antennes, die gewoonlijk net zo lang als de voorvleugels zijn en soms veel langer, worden in rust recht naar voren gehouden. Ocelli zijn soms wel en soms niet aanwezig.
Volwassen schietmotten voeden zich zelden; enkele exemplaren nemen wel eens wat nectar van planten langs de waterkant. Ze hebben nooit een proboscis, zoals we bij de meeste motten aantreffen.
De kop is voorzien van een paar opvallende maxillaire palpen; hun vorm is belangrijk bij de classificatie van de insecten. Soms zijn ze erg lang, terwijl andere kort en opgeblazen zijn.
Wijfjes hebben altijd vijf palpleden, maar de mannetjes van vele soorten hebben minder segmenten.
De sporen op de tibiae zijn ook een waardevolle hulp bij de determinatie aangezien hun aantal varieert van familie tot familie. Men beschrijft het aantal sporen op de poten altijd met drie cijfers:2-2-4, bijvoorbeeld, betekent dat er twee sporen op de tibiae van de voorpoot , twee op die van de middenpoot en vier op die van de achterpoot aanwezig zijn. De sporen zijn gewoonlijk eenvoudig herkenbaar, maar bij de Phryganeidae en Limnephilidae hebben de poten ook vele doorns, welke bijna half zo lang als de sporen kunnen zijn. Zorg dus dat u allen de sporen telt, en wees erop bedacht dat sporen kunnen afbreken bij oude en gedroogde exemplaren.
De nervatuur is een ander belangrijk kenmerk voor de determinatie van kokerjufferfamilies.
De classificatie is vooral gebaseerd op de vertakking van de aderen nabij de vleugelrand, en ook op de aan -of afwezigheid van een discoidale cel bij het midden van de voorvleugel; de meeste schietmotten op de volgende pagina's kunnen worden herkend zonder bestudering van de nervatuur.
Voor het onderscheiden van nauw verwante soorten is de bestudering van de genitalia vaak noodzakelijk. De eieren worden gewoonlijk afgezet in geleipakketten, in of op het water, of elders op overhangende vegetatie. Enkele soorten leggen hun eieren onder stenen.op het droge, en de eieren komen uit wanner het water in het najaar stijgt.
De larven zijn veelal omnivoor. De meeste soorten maken verplaatsbare huisjes of kokers, waardoor ze erg goed in het water zijn gecamoufleerd. Als de larve rondkruipt komen alleen de kop en de poten uit het huisje tevoorschijn. Het huisje wordt gemaakt van steentjes of plantendelen en bijeengehouden met zijdedraden. De zijde wordt afgescheiden door de speekselklieren.
De huisjes van elke soort zijn verschillend, maar verwante soorten bouwen gelijkende huisjes.
Het huisje is aan beide zijden open, en het huisje wordt aan de voorzijde steeds verder vergroot.
De larven van enkele soorten zijn geheel vrijlevend, terwijl andere zich verschuilen in zijden netjes, die tussen waterplanten worden gesponnen en waarmee prooien kunnen worden gevangen.
Soorten met een vangnet leven meestal in stromend water.
De insecten verpoppen zich in hun koker, nadat ze deze aan een steen of ander groot voorwerp hebben vastgezet. Soorten zonder koker maken een eenvoudige verpoppingscel van zijde en zand.
Als de volwassen kan uitvliegen, knaagt de pop een gat in het kokertje en zwemt naar het oppervlak of naar de oever, waar de imago tevoorschijn komt en onmiddellijk wegvliegt. De meeste soorten hebben een eenjarige levenscyclus.