Biologie Bruine Rat (Rattus norvegicus Berkenhout)
Algemeen: De bruine rat komt pas sedert begin 18e eeuw voor in Europa. Het is de meest voorkomende rattensoort in ons land. De kleur van de rat is echter geen kenmerk voor de soort.
De bruine rat komt voor in rioleringsstelsels, onder en in gebouwen met bouwtechnische gebreken en op plaatsen met voortdurend voedselaanbod zoals:
ongecontroleerde vuilnisstortplaatsen.
bij slecht geregelde opslag/afvoer van huisvuil ondermeer van recreatieterreinen.
op plaatsen waar steeds overmatig vogels worden gevoerd en waar sportvissers
aas/mondvoorraad achterlaten.
in industriële objecten met onvoldoende aandacht voor de bouwtechnische staat van gebouwen en voor hygiëne.
in slootkanten langs en nabij akkers.
Uiterlijk: De rug is meestal grijsbruin, de buik is lichter van kleur. (Kleurvariëteiten komen voor, waaronder albino's).
Ze hebben een stevige bouw, een vrij stompe snuit en de oren zijn zichtbaar (reiken naar voren geklapt tot achter het oog).
De dikke, vrijwel kale staart, is korter dan het lichaam en heeft een lengte van 17 - 23 cm.
De lichaamslengte van volwassen ratten bedraagt ongeveer 22 - 30 cm , het gewicht is maximaal circa 500 gram.
De pasgeborenen zijn ongeveer 3 cm lang, en zijn kaal en blind.
Ontwikkeling: De wijfjes worden in de leeftijd van 3 - 18 maanden steeds bevrucht (max. 15 worpen), de draagtijd bedraagt 21 - 23 dagen. De nestgrootte is gemiddeld 7 - 10 jongen. De zoogperiode is 4 weken. De jongen zijn na 3 maanden geslachtsrijp. Theoretisch zou elk wijfje gemiddeld 15 x 8 = 120 jongen ter wereld brengen; afhankelijk van nestgelegenheid en voedselaanbod treedt grote sterfte op onder de jonge ratten (soms gemiddeld 75%). De vermoedelijke levensduur is ca. 2 - 3 jaar, maar meestal is dat ca. 1 jaar.
Leefwijze: Algemeen
De bruine rat is een "cultuurvolger", met een bijzonder groot aanpassingsvermogen. Ze kunnen uitstekend graven, zwemmen, klimmen. De reuk is voor de rat het voornaamste zintuig. Ze zijn 's nachts het meest actief.
Voedsel: De bruine rat is een alleseter maar wel met een duidelijke voorkeur voor het beste wat voor handen is. Ze eten o.a. granen, knolgewassen, groenten, fruit, zowel op het veld als in opslag.
Ze hebben ook graag vlees, vis en zelfs jong vee wordt soms aangevallen.
De bruine rat doet aan voorraadvorming.
Temperatuur: De vacht van de rat past zich aan bij de leefomstandigheden (wintervacht).
Vocht:
Ze hebben voorkeur voor waterrijke milieus, want ze hebben namelijk dagelijks vocht nodig.
Schuilplaatsen: De ratten houden zich schuil in gegraven holen veelal aan walkanten, in ruigten, bij stapels hout, maïskuilen e.d.; in riolen en mestputten; op ongecontroleerde vuilstortplaatsen; onder en in gebouwen; onder/achter op terreinen opgeslagen goederen.
Territorium: Een kolonie heeft een eigen territorium (leefgebied) waar geen soortgenoten worden geduld. Kannibalisme komt voor onder ratten. Een door een uitgevoerde verdelgingsactie vrijgekomen territorium zal spoedig weer ingenomen worden door een andere rattenkolonie, tenzij tijdig genomen weringsmaatregelen dit voorkomen.
Sporen: Uitwerpselen (bruin/grijs; stomp; ca 2 cm lang en 0,5 cm dik).
Holen (dichtgetrapte holen welke toegang bieden tot bewoonde ruimten zijn binnen 1 dag weer open).
Looppaden ("wissels"; ratten zoeken veelal aan 1 zijde dekking)
"Buiksmeer" op veel belopen randen.
Knaagsporen.
Schade: Als dragers van ziektekiemen vormen ratten een bedreiging voor de volksgezondheid, ze kunnen namelijk de ziekte van Weil, paratyphus e.a. overbrengen. Ook kunnen ratten veeziekten verspreiden (varkenspest, pseudovogelpest, trichionasis, ziekte van Aujeszky, e.a.)
Volwassen ratten consumeren gemiddeld 15 - 20 gram voedsel per dag. Ze bevuilen voedselvoorraden met hun faeces en urine. Zo veroorzaken ze ook knaagschade aan o.m. verpakkingsmaterialen, houten vloeren, leidingen en kabels (storingen, kortsluiting) en aan isolatiematerialen.
Tengevolge van graverijen door ratten kunnen verzakkingen optreden.
Nut: Niet in de directe omgeving van de mens zijn ze nuttig als opruimers in de natuur en dienen ze als voedsel voor grotere dieren.
Verspreiding: Indien een populatie te groot wordt voor het territorium en er dus een tekort aan voedsel en/of schuilplaatsen gaat optreden, vindt migratie (trek) plaats. De trek van landbouwgebieden etc. naar boerderijen en woningen treedt op zodra de winter inzet.
De ratten kunnen zich ook verspreiden met schepen of door transporten.
Wering: Afsluitbare vuilcontainers; voedsel zo mogelijk onbereikbaar voor ratten bewaren.
Frequente afvoer vuilnis.
Schoonmaakdienst in bedrijven.
Onderhoud terreinen en walkanten.
Opslag goederen in loodsen vrij van wanden.
Langdurige opslag zoveel mogelijk vermijden.
Periodieke inspectie van opgeslagen goederen.
Inspectie van aan te voeren grondstoffen/goederen (N.B. pallets).
Buitenmuren tot tenminste 70 cm onder het maaiveld.
Klimplanten minimaal 60 cm van ramen e.d. houden; idem bomen.
Doorvoeropeningen leidingen afgedicht.
Ventilatieopeningen max. 0,5 cm breedte ( 0,5 cm i.v.m. muizen).
Gegalvaniseerde bolroosters op hemelwaterafvoeren in dakgoten.
Goed sluitende deuren (indien 's avonds doorgewerkt wordt goede verlichting bij openstaande loodsdeuren.
Riolering in goede staat (geen verzakkingen, missende ontstoppingsdeksels, andere gebreken); in saneringswijken en afbraakpanden riolering afblinden.